Forever Fifty-Five

Papa

Een persoonlijke brief leek me eerst nogal een cliché, maar na verschillende pogingen bleek het toch het meest gepast. En geef toe, een cliché om de zoveel tijd... wel die bevestigt zichzelf alleen maar. Met het risico erin te vervallen: hier is hij dan.

Vorig jaar wilde je graag nog een verjaardagsfeest organiseren. ‘Forever Fifty-Five’. Zo noemde je het al lachend, en af en toe lachten we mee. Je had er uiteindelijk de energie niet meer voor. Alle bezoek was welkom, maar lastig. Een groot feest, dat is niet meer gelukt maar een zomerreis, dat wou je voor geen geld missen.

Dat je nog één keer naar Frankrijk zou gaan, dat stond vast. Uiteindelijk gingen we allemaal samen naar het kleine Franse paradijs waar we de afgelopen 25 jaar vaak de hoogtepunten van onze zomers beleefden. Een slotreis, en wat voor een. Avonden met een lichte rosé of Guinness omringd door een kolonie cicaden en de mensen die je dichtbij wilde hebben. Warme winden die handdoeken droogden en tent en auto met rood zand bedekten. Korte avondwandelingen naar het keienstrand aan de ondertussen lauwe rivier met de geur van verdroogd gras en algen uit van-de-stroom afgesneden plasjes. Op de camping die we uit onze broekzak kenden. Het geluid van gefriemel aan de ritsen van ontelbare tenten in de ochtend, de geur van versgebrouwen koffie die de tent binnenwalmt en met een volle blaas zoek je snel een accepteerbare outfit bij elkaar. Krakend vers stokbrood. Een laatste vakantie zoals ze moest zijn. Behalve dat je ziek was, je had te weinig energie om te doen wat je wilde. Grote wandelingen en zwempartijen zaten er niet meer in. Maar het was mooi, het was een langgerokken afscheid dat ons de kans gaf om nog even écht samen te zijn.

Geen al te nostalgische momenten of grote beloftes, maar wel met en naast elkaar. Aan tafel, op het strand. In de schaduw. Jij wist wat wij niet wilden weten. Het waren allemaal laatste keren. Laatste keer op restaurant. Laatste keer samen sterrenkijken. Laatste keer het kleine brugje over.

In een stoel, de voeten omhoog en een boek in de hand. De boeken die toen op je tafel lagen probeer ik beetje per beetje uit te lezen. Om zo wat dichter bij jou te zijn. Als ik zo’n boek opensla vind ik medicatieschema’s als bladwijzers. Gambaran, oxynorm,... dosages en herdoseringen. Waarvan ik niet weet of je ze er zelf in stak, of mama ze daarin blijft bewaren om af en toe je handschrift te kunnen lezen. We gingen dit jaar opnieuw naar Frankrijk en je was er ook bij. In de verhalen van de mensen die je daar kennen, op een foto aan de tent, je handdoek en je kaarsenhouder. Je was er in onze gedachten, op alle plaatsen. Zoals je er meer dan vijfentwintig jaar de zomer spendeerde; al vissend, zwemmend, lezend en aperitievend, al lachend en al slapend. En hoewel je er bij was, was het soms verdomd lastig.

Hoe we die laatste week, exact een jaar geleden, nog gelachen hebben. Allemaal samen terug in huis. Heldere momenten vol ijscrème, liters speelde je er nog naar binnen, stracciatella. De koelte meer dan welkom in een buik die in vuur en vlam stond. Ook in minder heldere momenten wist je de kalmte te bewaren. Je vroeg hoe we plots zo’n goeie verpleegsters waren geworden en waar we dat geleerd hadden? Je leerde ons nog hoe je best tomaten topt, met een plastic zakje. Een aureool van zoemende wespen om je hoofd. Je was klaar om de groetjes aan opa te doen. En je beloofde oma om met hem een rijstschotel te eten, met gouden lepeltjes. Of hoe je, nadat bezoekers het huis verlieten opstond en zei: “en nu gaan we weer allemaal normaal doen.” Alsof het een toneelstuk was en we nu gewoon samen zouden barbecueën en dan naar TV zouden kijken.

Maar ook de moeilijke momenten. Hoe je ‘s nachts wakker schoot en onzeker vroeg of je nu genezen was. Hoe het ons hart brak. Het ging snel achteruit en dan was het zover. Tijd om te gaan. Het mocht geen halve dag later zijn. Je had het zo gepland. En hoewel we voorbereid waren op het ergste, bleek de laatste zucht (en drie laatste snurken) een opluchting voor iedereen. Een leven liep waardig af.

Ik zou gewoon willen weten of je bang was. Je zei van niet maar ik denk van wel. Je zei dat je klaar was om te gaan, en hoewel we dat zelf konden zien leek het gevoel toch niet te kloppen. Mocht je niet willen gaan zou het afscheid misschien nog zwaarder zijn geweest. Je was niet bang voor jezelf, maar wel voor ons.

Het leven is niet plots gestopt, dat had ik niet verwacht. Net voor ik op reis vertrok maakte ik mijn computer schoon; documenten ordenen, alles in de juiste mappen en een leeg bureaublad voor wanneer het werk hervat moest wordt. Ik kwam de map ‘Dienst papa’ tegen. Met de muziek de je zelf downloadde, de teksten die gebracht werden, ontwerpen van de zentjes en een spreadsheet, het draaiboek van de dienst. En ik weet niet of ik die in de map ‘projecten’ moet steken, ergens moet uploaden als template voor mensen in dezelfde situatie of gewoon nog even op het bureaublad moet laten staan. Waar deel je zoiets in onder? Hoe moet je zoiets in godsnaam een plaats geven?

Liefs, Broos


Auteur: Broos Claerhout
Overledene: Jan Claerhout
Data: °12/05/1964 †02/09/2019
Rustplaats: Thuis